De verborgen plekken van het Dinghuis

Het Dinghuis op de hoek van de Kleine Staat en de Grote Staat in de Maastrichtse binnenstad mag er zijn. Dat zie je meteen al bij de eerste aanblik, zeker als je gecharmeerd bent van de gotische, naar de hemel reikende bouwstijl. Die eerste aanblik zegt niet alles, want de vele bezienswaardigheden bevinden zich soms ook op verborgen plekken, zowel aan de buiten- als binnenkant van het gebouw.

Klok, schouw, bel-etage

Kijk om te beginnen eens naar de klok in het timpaan van het Dinghuis, een van de oudste klokken van Nederland. Als je echt goed kijkt, zie je dat die slechts één wijzer heeft. En dat is de korte wijzer, om precies te zijn. Tot aan de bouw van het stadhuis op de Markt was dit de enige eenwijzigere klok in de stad. Vandaar ook de naam van de klok: de oerklok mitten wijzer, de uurklok met de wijzer. Die klok maakte in de vijftiende eeuw deel uit van de De Lanscroon, een huis in de Grote Staat. Daar bevond zich tot halverwege de zeventiende eeuw het laaggerecht. Dat huis bestaat niet meer, de klok dus wel. Bovendien is hij sinds zijn verhuizing extra goed te zien en dat is alleen maar mooi meegenomen. De ketting van de klok loopt over verschillende verdiepingen. Om het uur draait die ketting en verandert de klok van stand.

Op de tweede verdieping van het Dinghuis kun je een interessante schouw aanschouwen. Daar staan de Maastrichtse stadsster op, twee engelen en de Perroen. De Perroen verwijst naar de gelijknamige hardstenen zuil op het Vrijthof, die op zijn beurt weer verwijst naar de tijd waarin Maastricht deel uitmaakte van het prinsdom Luik. Het is onduidelijk wanneer de schouw is gemaakt. Wat wél duidelijk is: hij is in het laatste deel van de negentiende eeuw gekocht in Brussel. Misschien op het Brusselse Vossenplein, waar tegenwoordig nog elke dag de nationaal en internationaal bekende ’markt van de tweedehandszaken’ wordt gehouden, zoals de Belgen die markt officieel noemen. Eén verdieping boven de begane grond van het Dinghuis bevindt zich een zogenoemde bel-etage. Dat is ook de verdieping waar het bordes met de twee begeleidende trappen op uitkomt. Veel belangrijke gebouwen hebben zo’n bel-etage. Zo heeft het stadhuis in Maastricht er een en – iets verder weg – het Paleis op de Dam. In vroeger tijden was de begane grond bestemd voor onder meer het afleveren van goederen of werd die gebruikt als eetvertrek voor de wachters. Iets hoger op de bel-etage vergaderden dan de hoge heren.

 

 

Muurschildering binnenplaats, gewelvenkelder

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was de Poesjenellenkelder gevestigd in het Dinghuis. Daar verzorgde Pieke Dassen jarenlang poppenspelen. En al was Pieke geboren in Rotterdam, veel Maastrichtenaren zagen en zien hem nog steeds als echte Maastrichtenaar. Oud-burgemeester Philip Houben van Maastricht omschreef hem ooit als de man die hij was: acteur, schilder, rusteloze kleurenmenger, ontwerper van poppen en poppenspeler. Piekes zoon Manny heeft op de binnenplaats van het Dinghuis een muurschildering gemaakt ter nagedachtenis aan zijn vader. Daarop is Pieke Dassen te zien in gezelschap van enkele poppen waarmee hij zo veel kinderen en volwassenen vermaakte. Dat is een reden temeer om eens binnen te lopen in het Maastricht Visitor Center.

Nog even over de kelder van het Dinghuis, nu zonder het woord ‘Poesjenellen’ ervoor. Dat is een gewelvenkelder. Omdat het daar lekker koel is en er geen daglicht binnendringt, werd die gebruikt voor de opslag van diverse etenswaren, zoals vlees, knollen en rapen. Vanwege die laatste groente noemden mensen van buiten de stad Maastrichtenaren lange tijd ‘reubeslikkers’ (rapenslikkers). Dat was niet bepaald vriendelijk bedoeld, want buiten de stad werden rapen gebruikt als veevoer. Maar dit terzijde. Prachtige gewelvenkelders zoals die van het Dinghuis vind je op meerdere plekken in de Maastrichtse binnenstad. Als je daar echt van houdt, moet je zeker eens een bezoek brengen aan het Schuilkeldermuseum in de stad. Dat is ook een soort ‘gewelvenkelder’.

Grijs, rood, bruin

Terug naar de oppervlakte. Tegenwoordig heeft het Dinghuis drie kleuren. De voorgevel is grijs en rood geverfd, de zijgevel is bruin. Vroeger was dat anders. De zijgevel heeft er ooit uitgezien als een vakwerkhuis, dat wil zeggen met leem tussen het hout in plaats van de bakstenen die er later voor in de plaats zijn gekomen. Welke kleur die leem had, is niet meer met zekerheid te zeggen. Mogelijk was dat witgeel, zoals de kleur van de Bonbonnière vlak bij het Onze-Lieve-Vrouweplein, de voorganger van het Theater aan het Vrijthof. Het kan evengoed zijn dat die leem rood was geverfd, dezelfde kleur als die van de Sint-Janstoren op het Vrijthof. Hoe dan ook: twaalf jaar geleden zijn de van mergel gemaakte ornamenten op de voorgevel van het Dinghuis (weer) in dezelfde kleur geverfd als de toren van de Sint-Janskerk. De voorgevel van het Dinghuis was trouwens ooit versierd met verschillende wapenschilden en had daardoor een bontgekleurde uitstraling. Wat mooier is, hangt af van de smaak van de toeschouwer. Waar het om gaat, is dat het Dinghuis door de vele eeuwen heen kleur heeft toegevoegd aan Maastricht en dat nog steeds doet.